De diagnose Diabetes is net gesteld…. wat nu?


Een kat instellen met insuline
Op het moment dat u hoort dat uw kat diabetes heeft komt er heel wat op u af.
De dierenarts heeft u verteld dat de diabetes heel goed kan worden behandeld, maar dat het nogal wat vergt, en wel van u! 
U moet in korte tijd veel leren, begrijpen, combineren en op de juiste wijze handelen. Bovendien moet u uw dagritme aanpassen, omdat u om de 12 uur insuline toe gaat dienen aan uw kat. Maar ik kan u geruststellen: ook u kunt deze materie leren en het nieuwe dagritme went heel snel. Bovendien krijgt u er heel wat voor terug: een kat die zienderogen opknapt!


Wij zetten de belangrijkste zaken voor u uiteen:

Wat u allereerst moet begrijpen is: dat de hoeveelheid eten en de hoeveelheid insuline die u toedient met elkaar verband houden: hoe meer uw kat eet, hoe meer glucose er geproduceerd wordt, hoe meer insuline er nodig is om alles in het lichaam te verwerken! Daarom is het van belang dat u voortaan elke dag evenveel eten gaat geven en dat u steeds hetzelfde voer geeft (de samenstelling van het voer moet zo constant mogelijk zijn). Daarom gaat u dagelijks, een met de dierenarts afgesproken gewicht aan voer geven, wat uitgekiend over de dag gaat worden verdeeld (hierover later meer). Dit is de eerste stap naar een goed ingestelde kat.
 

U kunt, in overleg met de dierenarts, direct overstappen op speciaal voer voor diabeten. Dit voer bevat weinig koolhydraten. Het zijn vooral de koolhydraten die worden omgezet in glucose. Hoe minder glucose er geproduceerd wordt, hoe minder insuline u hoeft te spuiten. Krijgt uw kat bijvoorbeeld al een nierdieet, dan zal uw dierenarts er voor kiezen dit nierdieet noodzakelijkerwijs voort te zetten.
Om ineens zowel van voer te veranderen als insuline te gaan spuiten is een drastische verandering. Het kan verstandig zijn om uw kat eerst gedurende 2 weken alleen op dit speciale dieetvoer te zetten en daarna pas met de insuline aan de slag te gaan.


 
 
 
 
De hoeveelheid eten en de
hoeveelheid insuline die
nodig is, zijn
onlosmakelijk
met elkaar verbonden.
 
 


Meten is weten

Nu bekend is dat uw kat een tekort heeft aan insuline rijst de vraag: hoeveel? Dat weten we niet precies, en dus moeten we beginnen met een startdosering en controleren (meten) we de bloedglucosewaarde regelmatig. Het aanschaffen van een glucosemeter is de tweede stap, want ook het meten gaat u zelf doen. 
Lees hier hoe u zelf de bloedglucosewaarde controleert met een heel klein druppeltje bloed uit het oor. 
 
 
 
 
 
  Probeer altijd voor u meet een
inschatting te maken: verwacht u
een hoge of een lage waarde,
en waarom.
Dit leert u de signalen die uw kat
afgeeft te interpreteren.
 
 
 
 
 
 
 
De voorgeschreven startdosering vanuit de fabrikant is twee maal daag 1 IE (Internationale Eenheid), of twee maal daags 2 IE. Geef altijd gedurende 3 dagen dezelfde hoeveelheid alvorens een aanpassing te doen (tenzij u te laag bent uitgekomen). Het lichaam moet wennen aan het verwerken van de insuline.
U mag elke dag meten, maar verander de dosering pas na 3 dagen. Verhoog nooit met meer dan 0,5 IE per dag.
 
Het instellen wordt door eigenaren vaak als een frustrerend proces ervaren. De glucosewaardes kunnen in het begin nogal schommelen en dat maakt eigenaren, mede doordat alles nieuw is en ze de materie nog maar net aan het begrijpen zijn, zeer onzeker. Het advies luidt: GEEF NIET OP ! Allereerst moet het lichaam van uw kat leren omgaan met de insuline. Bovendien kan het voorkomen dat de alvleesklier wordt wakkergeschut en zelf ook weer (wat) insuline gaat produceren. Het instelproces kan (in extreme gevallen) soms enkele maanden duren, maar het is het waard! 
 

Bloedglucosecurve

 
 
 
U kunt niet verantwoord
de bloedglucosewaarde
meten als u geen curve 
heeft gemaakt  !
                           
 
 
 
 
 
 
 
 
U kunt niet verantwoord de bloedglucosewaarde controleren als u geen BloedglucoseCURVE heeft gemaakt. 
Dit is de derde stap, en waarschijnlijk heeft uw dierenarts hier niet over gesproken met u. 
Als u een bloedglucosecurve maakt, dan weet u precies op welk tijdstip u de bloedglucosewaarde bij uw kat (!) moet controleren. Gemiddeld controleren we de BGW 4 uur nadat de insuline is toegediend, maar helaas is dit niet bij elke kat juist.
 
Het 'uitpakken' van de insuline: 
Elk kattenlichaam gaat anders om met de insuline. De Caninsulin® insuline is ‘verpakt’ in zink. Als u de insuline toedient komt die dus niet meteen in het lichaam vrij. De insuline moet door het lichaam worden ‘uitgepakt’. Dat uitpakken doet elk kattenlichaam op een eigen tempo. Wel weten we dat een kattenlichaam er gemiddeld 4 uur overdoet om alle insuline vrij te krijgen, maar dit kan behoorlijk afwijken! (er zijn katten die er 7 uur over doen).
 
Uitgaande van de gemiddelde kat kunnen we vaststellen dat de bloedglucosewaarde 4 uur na het toedienen van de insuline op zijn laagste punt is. Dat is dus het moment waarop de bloedglucosewaarde gecontroleerd moet worden; u wilt immers weten hoe laag deze dosering insuline de bloedglucosewaarde brengt. Van nature ligt de bloedglucosewaarde van een kat tussen de 3,4 en de 5,7 en daar moet u dus ongeveer op uit komen en dan liever wat hoger dan lager. Geeft de meter bijvoorbeeld 11 aan, dan gaat u meer insuline spuiten. Let op: u verhoogt nooit meer dan 0,5 IE per dag (!).
MAAR: stel nou dat uw kat er 7 uur over doet om de insuline ‘uit te pakken’, en u meet steeds na 4 uur, en baseert daarop het aantal IE insuline dat u spuit….. Dan kan dat dodelijke gevolgen hebben! 
 
Het tijdstip waarop de laagste waarde voorkomt in de curve wordt de tijd waarop u gaat controleren!
Maak DUS een Bloedglucosecurve van uw kat. Lees hier hoe u dat doet.
 

Aan de slag

Nog even samengevat; om uw kat goed in te kunnen stellen is het belangrijk dat u:
  1. afgepast eten gaat geven op vaste tijden.
  2. twee maal daags op vaste tijden insuline toe gaat dienen.
  3. een bloedglucosemeter aanschaft die maar een klein druppeltje bloed nodig heeft.
  4. een bloedglucosecurve maakt van uw kat.
  5. druivensuiker in poedervorm op voorraad heeft.
 

(1) Afgepast eten op gezette tijden

Als uw kat elke dag dezelfde hoeveelheid eet kunt u met een gerust hart elke dag dezelfde hoeveelheid insuline spuiten. Bepaal wel samen met uw dierenarts hoeveel gram voer u over de dag gaat verdelen. 
 
Aangezien uw kat tegen de tijd dat de insuline is uitgepakt eten nodig kan hebben is het verstandig om een tijdgestuurde voederbak aan te schaffen, dan kan uw kat ook als u bent werken of in de nacht nog wat eten.
 
 
 
Een tijdgestuurde voerbak
is ideaal voor een diabeteskat.
Zo kunt u, voor dat uw kat zijn/haar
laagste bloedglucosewaarde
bereikt, er altijd voor zorgen
dat uw kat toegang heeft
tot voer.
 
 
 
 
 
 
 
Het is onze ervaring dat het volgende schema goed werkt:
(in dit voorbeeld wordt de kat om 08:00 gespoten, krijgt 80 gram voer per dag en heeft 4 uur na het spuiten de laagste bloedglucosewaarde)
 
08:00 uur    20 gram brokjes en insuline toedienen.
11:30 uur    15 gram brokjes in de tijdgestuurde voerbak.
17:00 uur      5 gram brokjes*
20:00 uur    20 gram brokjes en insuline toedienen.
23:30 uur    15 gram brokjes in de tijdgestuurde voerbak
05:00 uur      5 gram brokjes in de tijdgestuurde voerbak
* Leuk om uw kat mee te begroeten als u thuiskomt van het werk. Bovendien zorgt het er voor dat de maag van uw kat niet te lang leeg is en uw kat dus een bevredigd gevoel heeft.
 

(2) Twee keer per dag op vaste tijden insuline toedienen

Aangezien de insuline maximaal 12 uur effect heeft moet u om de 12 uur insuline toe gaan dienen. U moet dus bijvoorbeeld om 08:00 uur in de ochtend en om 20:00 uur in de avond een injectie geven, 7 dagen in de week. Kies dus een tijd die bij u past.
Overigens zijn er ook genoeg katten met 'afwijkende' tijden: bijvoorbeeld 08:00 en 18:00 uur (deze mensen spuiten vaak in de ochtend wat minder dan in de avond). Kijk dus goed wat er bij u past.
U mag altijd 15 minuten afwijken. (15 minuten vroeger of later).
 

(3) Bloedglucosemeter kiezen

Kies een meter die maar weinig bloed nodig heeft, dat werkt erg prettig. De Abbott FreeStyle Insulix is uitermate geschikt voor katten.  Lees hier hoe u zelf de bloedglucosewaarde meet in het oor.
 

(4) Bloedglucosecurve

Iedere kat is uniek, dus maak een curve om er zeker van te zijn dat u de metingen verricht op het laagste punt. Hoe u zelf een curve maakt leest u hier.
 

(5) Druivensuiker in poedervorm

Uw kat kan een hypo krijgen: teveel insuline tegenover te weinig voedsel. Uw kat kan in een coma raken en kan sterven! Als uw kat een hypo krijgt bent u in paniek en wilt u de kat niet alleen laten. Zorg dus dat er druivensuiker in de buurt staat. (op elke etage van uw huis waar ook uw kat rondloopt).
Ben alert: als uw kat anders doet dan anders (op elk gewenst tijdstip van de dag): hij blijft u volgen, hij blijft miauwen, etc: dan kan het zijn dat hij/zij een hypo aan voelt komen. 


Wat te doen bij een hypo
U probeert rustig te blijven! U maakt uw vinger nat en doopt die in de druivensuikerpoeder. Deze suiker smeert u aan de binnenkant van de wang van uw kat. Herhaal dit 2-3x. Als het goed is komt uw kat snel bij. Geef alleen als uw kat bij kennis is (!) wat duivenduiker vermengt met water met een spuitje in de bek. Laat de kat daarna eten: hij heeft honger en moet de bloedglucosewaarde omhoog brengen.
Meestal gaat een kat ‘buitenwesten’ bij een hypo: hij valt als het ware flauw omdat er te weinig ‘energie’ in de hersenen aanwezig is. Maar, er kan ook ‘kortsluiting’ in zijn hoofd ontstaan, waardoor de hypo er uitziet als een epileptische aanval.
 
 

Belangrijk

Uit het drinkgedrag van uw kat kunt u opmaken hoe ‘het er voorstaat’ met zijn bloedglucosewaarde: katten die hoog in de bloedglucosewaarde zitten zullen veel drinken.
 
Insulinespuiten
Let op: mensen gebruiken zogenaamde U100 insulinespuiten, dieren gebruiken U40 insulinespuiten.
Mocht u insulinespuiten bestellen via het internet, let dan op dat u kiest voor deze U40 spuiten.
Wij vinden de BD Microfine Insulinespuit 0,5 ml U40 zeer prettig. Deze spuit heeft ook streepjes voor halve eenheden èn heeft een korte naald, wat zeker in het begin erg prettig is.
 
Leer te vertrouwen op wat u ziet. Maak dan ook altijd voordat u meet een inschatting (en verklaar voor uzelf waarom u denkt te zien dat hij/zij juist hoog of laag zit). Op die manier leert u snel te zien hoe uw kat er voor staat. 

Weet dat er naast Caninsulin nog een andere insuline bestaat die voor katten geschikt is: Lantus (!) Deze humane insuline mag alleen worden voorgeschreven indien Caninsulin geen of onvoldoende effect heeft. Lantus is een langwerkende insuline (Caninsulin een kortwerkende). Maar ook Lantus moet twee maal daags worden gespoten, ook al circuleren er verhalen op internet dat Lantus slechts 1x daags gespoten hoeft te worden.
 
Laatste tip: praat een keer met een diabeet! Daar kunt u veel van leren!